Kennis / Bestuivers
Niet iedere bij gebruikt hetzelfde nest
Een bijenhotel kan druk bezocht worden en toch maar een klein deel van de Nederlandse bijenfauna bedienen. De reden is eenvoudig: verschillende wilde bijen zoeken heel verschillende plekken om hun nakomelingen groot te brengen.
ca. 2 min lezen
De meeste Nederlandse soorten nestelen in de bodem
EIS noemt ongeveer 250 van de circa 360 Nederlandse bijensoorten als bodemnestelaars. Vrouwtjes graven daar meestal zelf gangen en broedcellen. Geschikte omstandigheden verschillen per soort en kunnen samenhangen met onder andere bodemtype, vegetatie, vocht, zon en helling. Juist over de precieze eisen van veel bodemnestelaars bestaan nog kennishiaten.
Dat maakt een veelgemaakte denkfout zichtbaar: een locatie kan veel kunstmatige nestgangen aanbieden en tegelijkertijd nauwelijks nestgelegenheid bieden aan het grootste deel van de Nederlandse wilde bijensoorten.
Andere soorten gebruiken hout en stengels
Ongeveer zestig Nederlandse soorten maken volgens EIS gebruik van dood hout of holle en merghoudende plantenstengels. In de natuur ontstaan zulke nestplaatsen bijvoorbeeld doordat keverlarven gangen in hout maken of doordat plantenstengels afbreken en toegankelijk worden. Metselbijen, maskerbijen en behangersbijen behoren tot de bekende gebruikers van bovengrondse holten.
Kunstmatige nestblokken bootsen dus niet ‘het bijennest’ na, maar bieden vooral één specifiek type nestbron aan: bestaande bovengrondse gangen.
En daar houdt de variatie niet op
Sommige Nederlandse soorten gebruiken lege slakkenhuisjes. Hommels kunnen afhankelijk van de soort bijvoorbeeld oude muizenholen, boomholten of plekken tussen vegetatie gebruiken. Koekoeksbijen bouwen zelf geen vergelijkbaar zelfstandig broednest, maar maken voor hun voortplanting gebruik van nesten van andere bijen.
Zelfs binnen de groep die kunstmatige gangen gebruikt, verschillen voorkeuren. De diameter, het materiaal en de micro-omgeving van een gang beïnvloeden welke soorten hem kunnen gebruiken. Studies aan kunstmatige nesten laten zien dat nestmaterialen en holteafmetingen de samenstelling en bezetting van zulke voorzieningen kunnen beïnvloeden.
Dus: varieer niet alleen binnen één object
Variatie in gatdiameters is nuttig binnen een voorziening voor bovengrondse nestelaars, maar echte variatie in nestgelegenheid ontstaat pas wanneer een omgeving meerdere nesttypen bevat: geschikte bodem, afgestorven stengels, dood hout en waar passend kunstmatige nestgangen. Welke combinatie verstandig is, hangt af van de locatie en de soorten die daar kunnen voorkomen.
Bronnen
- EIS, Nestelplaatsen.
- EIS, Bodemnestelregister.
- Sanders e.a., WUR, Nestelmogelijkheden voor solitaire bijen in bodems van bloemrijke bermen.
- Ozinga e.a., WUR, Ecoprofielen voor wilde bijen en zweefvliegen. DOI 10.18174/564518.
